Het schaatsen binnen KNSB-verband kent veel vormen. De bekendste schaatsvorm is ongetwijfeld het hardrijden op de langebaan. Het langebaan schaatsen werd als wedstrijdvorm al beoefend voordat de schaatsbond in 1882 werd opgericht. Er wordt geschaatst op een standaardbaan (meestal een 400 meter-baan), bestaande uit twee gescheiden schaatsbanen met een baanbreedte van tenminste 4 meter (liefst 5) met bochten van 180 graden en een straal van de binnenbocht tussen de 25 en 26 meter. De zijkanten van de schaatsbaan worden gemarkeerd door een sneeuwrand of blokjes. Bekijk hier de tekening voor een 400m baan >>> Bekijk hier de berekening van een 400m baan >>>
Geschiedenis
Om op deze plaats diep op de geschiedenis van de schaatssport in te gaan, voert te ver en daarvoor is ook een speciale folder gemaakt. Sinds 1882, het jaar dat de KNSB werd opgericht, hebben heel wat Nederlanders aansprekende overwinningen geboekt. Bekende namen uit het verre verleden zijn: Jaap Eden, Coen de Koning, Jan Langedijk, Wim van der Voort en Kees Broekman. Tot 1960 hebben vooral de Noren het langebaan schaatsen beheerst. Sinds het kunst- ijsbaantijdperk, dat in 1962 wat ons land betreft begon, gros- sierden Nederlandse schaats(st)ers in Europese, wereld- en Olympische titels.
Grote namen: Henk van der Grift, Kees Verkerk, Ard Schenk, Stien Kaiser, Atje Keulen-Deelstra, Annie Borkinck, Harm Kuipers, Ria Visser, Piet Kleine, Hans van Helden, Hilbert van der Duim, Jan Ykema, Hein Vergeer, Leo Visser, Gerard Kemkers, Yvonne van Gennip, Bart Veldkamp, Falko Zandstra, Annamarie Thomas en Rintje Ritsma.
Wedstrijden
Het langebaan schaatsen kent wedstrijden over verschillende afstanden, zowel voor dames (meisjes) als heren (jongens). Via loting rijden er steeds twee rijders tegen elkaar. Er wordt geschaatst tegen de wijzers van de klok in, d.w.z. dat de binnenkant van de baan links van de rijder is. De deelnemers wisselen op de kruising steeds van baan, zodat ze bij elke volle ronde dezelfde afstand rijden.
Er worden wedstrijden gehouden over meerdere afstanden, te weten:
- een eendaagse wedstrijd over 2 of 3 afstanden;
- een tweedaagse wedstrijd over 4 afstanden;
- een driedaagse wedstrijd over 4 afstanden;
- wedstrijden per afstand (b.v. Olympische Spelen, World Cup en WK Afstanden).
De overkoepelende organisatie ISU (Internationale Schaats Unie) kent de volgende afstanden: 100, 500, 1000, 1500, 3000, 5000, 10.000 meter en ploegenachtervolging. De kampioenschappen hardrijden op de schaats zijn onderverdeeld in allroundschaatsen, sprinten en per afstand. Het meest bekend zijn de nationale, Europese en wereldkampioenschappen.
Bij allroundwedstrijden wordt een grote vierkamp gereden. D.w.z. dat er vier afstanden (dames: 500, 1500, 3000, 5000 meter; heren: 500, 1500, 5000, 10.000 meter) worden geschaatst, waarvan de tijden worden omgerekend tot een bepaald puntentotaal. Dit puntentotaal is bepalend voor het eindklassement.
Voor de sprinters bestaat er sinds 1972 een apart wereldkampioenschap over 2x 500 en 2x 1000 meter. Vanaf 1996 bestaat er ook een apart Wereldkampioenschap waar de titels per afstand kunnen worden behaald. Via de internationale World- Cup-competitie kunnen schaatsers zich plaatsen voor dit WK Afstanden.
Internationaal bestaan er wedstrijden voor senioren en junioren.
Tijdens junioren-allroundwedstrijden is de langste afstand de 3000 (dames), dan wel 5000 meter (heren). D.w.z. dat de 5000 (dames), dan wel 10.000 meter (heren) worden vervangen door de 1000 (dames), dan wel 3000 meter (heren). Je spreekt in dit geval over een kleine vierkamp-wedstrijd.
Klassementen uitrekenen
Het langebaan schaatsen wordt niet alleen actief beoefend, maar duizenden Nederlan- ders volgen de grote kampioenschappen ook op het puntje van hun stoel kijkend naar de televisie. Het is mogelijk de klassementen bij de kampioenschappen zelf uit te rekenen. Het aantal seconden dat een schaatser behaald heeft op de 500 meter wordt als het aantal punten gerekend; voor de 1000 meter wordt de helft van het aantal seconden als punten geteld, voor de 1500 meter een derde, voor de 3000 meter een zesde, voor de 5000 meter een tiende en voor de 10.000 meter een twintigste van het aantal seconden.
Het puntentotaal moet in drie cijfers achter de komma worden genoteerd, met weglating van de vierde decimaal. Ook is uit te rekenen hoeveel een schaatser ‘goed moet maken’ om een andere schaatser te kunnen passeren in het klassement. Het puntenverschil in het klassement moet dan met 2 (1000), 3 (1500), 6 (3000), 10 (5000) of 20 (10.000 meter) worden vermenigvuldigd om het verschil in seconden te kunnen uitdrukken. Als een deelnemer op één afstand wordt gediskwalificeerd, kan hij niet in aanmerking komen voor plaatsing in de einduitslag.
Schema's
Televisieverslaggevers hebben het vaak over schema’s. ‘De rijder zit op een schema’ of ‘hij kan zijn schema niet houden’, zijn bekende uitspraken. Schema’s zijn afspraken die de schaatser met zijn coach maakt over het verloop van een rit. De schaatser en de coach hebben een bepaald idee over de tijd die gereden kan worden. Ze spreken af op welke tijd wordt gemikt. Omdat na elke 400 meter een tussentijd wordt geregistreerd, kan de coach zien of de rijder zich aan het afgesproken schema houdt.
Aan de overzijde van de baan, bij de kruising, staat de coach die aangeeft of de schaatser boven of onder zijn schema zit. Zit hij er één seconde boven, dan wijst de coach met één vinger naar boven. Zit de schaatser er vier seconden onder, dan wijst de coach met vier vingers naar beneden. De communicatie tussen schaatser en coach verloopt ook via scorebordjes. Tussentijds kan de coach, omdat het goed of slecht gaat, van schema veranderen.
Zelf Schaatsen ?
Het Langebaanschaatsen vraagt naast een behoorlijke conditie een goede schaats- techniek. Dit kan men bereiken door een of meerdere malen per week aan ijstrainingen op speciale uren op de kunstijsbanen deel te nemen. Om op deze uren, waar vrijwel optimaal kan worden getraind, te kunnen schaatsen, dient men lid te zijn van een ijsclub, te beschikken over een KNSB-licentie (door de vereniging aangevraagd bij de schaatsbond) en een trainingsabonnement op de kunstijsbaan. De ijsclubs hebben voor elke categorie speciale begeleiders, waarbij de trainingsprogramma’s worden afgestemd op het niveau van de groep. Met een KNSB-licentie heeft men tevens het recht om deel te nemen aan schaatswedstrijden, te beginnen op club-niveau.
De KNSB kent de volgende categorieën:
- Meisjes en Jongens Pupillen : jonger dan 13 jaar;
- Meisjes en Jongens Junioren C: 13 en 14 jaar;
- Meisjes en Jongens Junioren B: 15 en 16 jaar;
- Meisjes en Jongens Junioren A: 17 en 18 jaar;
- Dames en Heren Neo-Senioren: 19 en 22 jaar;
- Dames en Heren Senioren: 23 t/m 38 jaar;
- Dames en Heren Masters: 39 jaar en ouder.
Uniek boek met alle uitslagen 1887-2003
Het unieke boek met daarin de complete uitslagen van alle NK’s hardrijden langebaan in de periode 1887-2003 is verschenen.
In dit 240 pagina’s tellende boekwerk staan zowel de senioren- als de junioren kampioenschappen dames/ heren/ meisjes/ jongens, zowel allround als sprint, en zelfs de B-kampioenschappen.